De Ontwerpers


Antonov

Constaninovitch Antonov (1906-1984)

Oleg Antonov werd op 7 februari 1906 in Moskou geboren. Als jonge scholier was hij al geïnteresseerd in de zweefvliegsport. Na de afronding van zijn middelbare school is hij een ingenieursstudie gaan volgen. Van zijn hobby heeft hij uiteindelijk zijn beroep gemaakt en werd vliegtuigontwerper. In de jaren 30 ontwierp hij gevechtsvliegtuigen en vliegtuigen voor speciale doeleinden. Hij werd een van de meest gerenommeerde vliegtuigontwerpers van de Sovjet-Unie.

AntonovGedurende de 2e wereldoorlog was hij voornamelijk bezig met de bouw en verdere ontwikkeling van gevechtsvliegtuigen. Daarnaast was Antonov werkzaam als ingenieur bij het Ontwerpbureau van A. Jakowlew. In 1940 ontwikkelde hij in opdracht van Stalin een kopie van de “Fieseler Storch”(Fi 156), de Oka-38. Het vliegtuig werd niet geproduceerd daar de fabriek door de Duitsers gebombardeerd is geworden. Oleg Antonov was ook de ontwerper van  een eigenaardig toestel. Hij ontwierp een vliegende tank. Het eigenaardige toestel was voor de inzet van luchtlandingsoperaties bedoeld. Daarvoor werd de tank T-60 met een gewicht van 5.8 ton in een vliegende constructie van 2 ton geïntegreerd. In de zomer van 1942 vonden de eerste succesvolle proefvluchten plaats. Helaas werd het project niet doorgezet. Na zijn werk als ontwerper bij Jakowlew opende hij zijn  eigen ontwerpbureau. Het was hem er alles aan gelegen om een eigen vliegtuig te ontwerpen dat multi-inzetbaar zou zijn. Vanaf 1946 was hij met de ontwikkeling daarvan bezig. Eind 1947 stond daar een vliegtuig met het typenummer AN-2 “Colt”. In de ontwerpfase heette het toestel SKH-1 SKH staat voor “Selskoe Khozaistvo”wat in het Russisch landbouwkunde betekent. De AN-2 vloog zijn eerste proefvlucht op 31 augustus 1947 en werd gevlogen door de testvlieger N.P. Wolodin. De Antonov AN-2 werd als een eenmotorige dubbeldekker ontworpen. In werkelijkheid is het een “anderhalfdekker” daar de bovenvleugel groter is dan de onderste vleugel. Het vliegtuig was een gewild toestel bij parachute-springen en werd daarvoor voornamelijk in de DDR ingezet. Het bijzondere aan de AN-2 zijn haar eigenschappen zoals korte start- en landingslengte die nodig is van maar liefst 150 meter en de lage vliegsnelheid van 70 km/h. Antonov produceerde dit toestel tot het einde van de zestiger jaren. Het toestel werd doorontwikkeld, bijv. als passagierstoestel en is tot in de negentiger jaren in licentie in Polen en China gebouwd geworden. De Antonov AN-2 wordt liefdevol tante Anna genoemd als tegenpool voor de legendarische JU 52 (tante Ju) van de Junkers fabriek. Zo had Rusland ook haar eigen te koesteren toestel.

AntonovIn 1962 kreeg Oleg Antonov de opdracht om een toestel te ontwerpen dat grote en zware voorwerpen en goederen via de lucht over lange afstanden kon vervoeren. Een van de randvoorwaarden was dat het toestel ook vanaf niet verharde ruwe ondergronden moest  kunnen opereren. De AN-22 een zwaar langeafstandstoestel werd hiervoor ontworpen. In 1965 werd de bouw van dit toestel stopgezet. De zwaarste en grootste vrachttoestellen van dit moment dragen nog steeds de naam van Oleg Antonov.

Echter Antonov’s bijdrage en betekenis voor de luchtvaart lag voornamelijk in het ontwerpen en bouwen van zweefvliegtuigen en transportzweefvliegtuigen.

Hij stierf op 4 april 1984 te Moskou en mag met recht tot een van de belangrijkste luchtvaartpioniers worden genoemd.

 

De Haviland DHC1 Chipmunk/ Wsiewolod J. Jakimiuk

In de de Havilland fabrieken in Canada werkte een Pool, Wsiewolod J. Jakimiuk, die in 1939 vlak voor de Duitse invasie in Polen was uitgeweken. Hij was Chief Engineer van de National Aircraft Factory in zijn land. Na zijn ‘emigratie’ naar Canada kreeg hij een aanstelling bij de Havilland in Downsview.

Al in 1943 was hij bezig met het ontwikkelen van een opvolger voor de Tiger Moth als ‘primary trainer’, maar door de oorlog kwam het er niet van. Zomer 1945 bezocht Francis St. Barbe, een van de topmensen van de Havilland, de fabriek in Downsview om te praten over plannen voor de naoorlogse periode. Op het bureau van Phil Garrat, de directeur van de Canadese fabriek, zag hij een modelletje staan van de door Jakimiuk ontwikkelde Trainer en hij besefte, dat dit de opvolger zou kunnen zijn van de inmiddels hopeloos verouderde Tiger Moth. Hij gaf opdracht om onmiddellijk de ontwikkeling ter hand te nemen en op 31 October 1945 waren er twee prototypes klaar. Op 22 mei 1946 volgt de eerste vlucht van een Chipmunk, met het prototype CF-DIO-X. Er was afgesproken, dat in Canada ontwikkelde de Havilland vliegtuigen de naam van Canadese inheemse diersoorten zouden krijgen en zo werd dit vliegtuig, een tandem tweezitter laagdekker, de Chipmunk (DHC1)genoemd, naar een inheemse eekhoornsoort. (Dus niet naar een monnik met een Chipknip) De motor was een Gipsy Major van 145 Pk, dezelfde motor die in de Tiger Moth werd gebruikt en die een goede reputatie had qua betrouwbaarheid.